Gegarandeerde intrestvoeten, WAP-garantie en referentierentevoet: wat is het verschil?

Gegarandeerde intrestvoeten, WAP-garantie of referentierentevoet: de termen die werkgevers vandaag in het kader van hun aanvullende pensioenplannen naar het hoofd geslingerd krijgen, zijn niet eenvoudig. Wij zetten nog eens op een rijtje wat ze precies inhouden.

Gegarandeerde intrestvoeten, WAP-garantie en referentierentevoet: wat is het verschil?

Gegarandeerde intrestvoet

Een tak 21-groepsverzekering biedt de werknemers een bepaald rendement, zijnde een contractueel gegarandeerde intrestvoet die eventueel aangevuld wordt met een winstdeelname, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar.

Onder impuls van de dalende rentevoeten op obligaties op lange termijn, zijn ook de intrestvoeten die verzekeraars garanderen op een tak 21-groepsverzekering flink naar beneden gedoken. Op dit moment ligt die gegarandeerde intrestvoet ergens tussen de 0,5% en de 1%, terwijl die tot vóór 2013 nog 3,25% bedroeg. In een ‘aanhoudend lage rente’-scenario is het bovendien twijfelachtig of de verzekeraars veel winstdeelname toekennen op een tak 21-levensverzekering. Het valt ook nog af te wachten of verzekeraars hun gegarandeerde intrestvoeten opnieuw zullen verhogen zodra de langetermijnrente in een stijgende lijn terecht komt.

Maximale referentierentevoet

De maximale referentierentevoet is het maximale rendement dat de verzekeraar wettelijk mag garanderen op de gestorte premies in een tak 21-levensverzekering. Deze wordt vastgesteld door de Nationale Bank van België, maar kan onder bepaalde voorwaarden aangepast worden door de minister van Economie. Begin 2016 werd bij ministerieel besluit beslist om de maximale referentierentevoet voor levensverzekeringsverrichtingen van lange duur in lijn te brengen met de actuele marktrente. De maximale referentierentevoet werd verlaagd van 3,75% naar 2%.

Minimale rendementsgarantie of WAP-garantie

De minimale rendementsgarantie of WAP-garantie is het minimale rendement dat de werkgever volgens de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) verplicht moet garanderen tot uitdiensttreding of pensionering op de werkgevers- en werknemersstortingen in een groepsverzekering van het type vaste bijdragen (‘Defined Contribution’) en cash balance. In een groepsverzekering van het type vaste prestatie (‘Defined Benefit’) geldt deze minimale rendementsgarantie enkel op de werknemersstortingen. De WAP legt deze verplichting op aan de inrichter van de groepsverzekering, lees de werkgever, en niet aan de pensioeninstelling. Indien het rendement van de verzekeraar ontoereikend is, zal de werkgever het verschil dus uit eigen zak moeten bijpassen.

Tot vóór 2016 bedroeg deze minimale rendementsgarantie een vast percentage, namelijk 3,25% op de stortingen van de werkgever en 3,75% op de stortingen van de werknemer. Sinds 1 januari 2016 is deze rendementsgarantie jaarlijks variabel en wordt deze bepaald door de FSMA op basis van het gemiddelde van de Belgische OLO’s op 10 jaar, met een minimum van 1,75% en een maximum van 3,75%. Dit geeft als resultaat dat sinds 2016 de wettelijke minimale rendementsgarantie of WAP-garantie 1,75% bedraagt, zowel op werkgevers- als op werknemersstortingen.

Conclusie

Zoals uit onderstaande grafiek blijkt, werden de gegarandeerde intrestvoeten, de maximale referentierentevoet en de minimale rendementsgarantie de voorbije jaren aangepast aan de actuele marktrente, zij het niet allemaal op hetzelfde tempo, noch op hetzelfde percentage.

In een tak 21-groepsverzekering moet de werkgever sinds 2016 een wettelijk minimumrendement van 1,75% garanderen op de gestorte premies. De verzekeraar mag sinds 2016 maximum 2% garanderen op de gestorte premies, maar garandeert in de praktijk slechts een intrestvoet van 0,5% à 1%. De huidige gegarandeerde intrestvoeten van de verzekeraars zijn dus onvoldoende om de minimale rendementsgarantie van 1,75% in hoofde van de werkgever af te dekken. Ook op de stortingen tussen 2013 en 2016 schieten de gegarandeerde intrestvoeten in tak 21 tekort ten opzichte van de wettelijk minimale rendementsgarantie die toen nog 3,25% of 3,75% bedroeg.

De tekorten dienen aan het einde van de rit door de werkgever bijgepast te worden.

grafiek

Karolien Goethals
Schrijf u in op onze nieuwsbrief.