Tak 23 pensioenplan kan bedrijven (én werknemers) financiële duw in de rug geven

Bedrijven die vandaag opteren voor een aanvullend pensioen via een tak 21-levensverzekering, lopen door de aanhoudende lage intrestvoeten het risico om een bijpassing te moeten betalen. Het loont daarom de moeite om ook eens een alternatief scenario te bekijken. Met een weloverwogen aanpak via een tak 23-product kunnen bedrijven zichzelf én hun medewerkers een financiële duw in de rug geven.

Tak 23 pensioenplan geeft financiële duw in de rug

Zo’n 70% van de Belgische werknemers bouwt via hun werkgever een aanvullend pensioen op. Zo goed als al deze groepsverzekeringen zijn tak 21-levensverzekeringen. Deze bieden de werknemers een vast rendement en een eventuele winstdeelname, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar.

Bij tak 23-groepsverzekeringen daarentegen hangt het rendement af van één of meerdere beleggingsfondsen. De voorbije jaren bleek het rendement in tak 23-producten met een evenwichtige verdeling tussen aandelen en obligaties hoger te zijn dan dat in tak 21-producten (zie onderstaande tabel, waarbij we de rendementen van twee tak 23-producten op een rij zetten). Concreet: wie over dit type pensioenplan beschikt, profiteert van hogere rendementen. Maar tak 23 houdt wel meer risico in: vallen de resultaten van het beleggingsfonds tegen, dan is een negatief rendement niet uitgesloten.

Problematiek tak 21-producten

De problematiek met de tak 21-levensverzekeringen is al enkele jaren bekend. De intrestvoet op dit type spaarproducten, en dus ook het rendement, is tussen 2000 en nu flink naar beneden gedoken. Dit onder impuls van de dalende rentevoeten op obligaties op lange termijn én veranderingen in solvabiliteitsregels waardoor de mogelijkheden van verzekeraars om gedifferentieerd te gaan beleggen, zijn afgenomen.

Op dit ogenblik ligt de gewaarborgde rentevoet ergens tussen de 0,5 en de 1%. En dat terwijl het rendement dat de werkgever verplicht moet garanderen aan zijn werknemers sinds 2016 wettelijk is vastgelegd op minimum 1,75%. Is het rendement van de verzekeraar ontoereikend? Dan is het aan de werkgever zelf om het verschil uit eigen zak bijpassen.

Sense of urgency

Ondanks de dalende intrestvoeten was er tot eind 2012 geen sprake van een sense of urgency. De verzekeraars zetten alle zeilen bij om het rendement op niveau te houden, in afwachting van een herneming van de marktrente. Maar die positieve trend kwam er niet, waardoor deze situatie steeds meer onhoudbaar werd. Vanaf 2013 zijn verzekeringsmaatschappijen hun intrestvoeten daarom gaan aanpassen aan de realiteit, en die bleek een pak minder rooskleurig. Een sense of urgency bij werknemers én werkgevers liet niet lang op zich wachten. Eind 2015 werd een akkoord bereikt om het sociale karakter van de aanvullende pensioenen te vrijwaren. Eén van de maatregelen was om het gegarandeerde minimum verplicht rendement te waarborgen door de werkgever te verlagen van 3,25% (en 3,75% voor persoonlijke bijdragen) naar 1,75%.

Deze oplossing zorgde ervoor dat een zeker minimumrendement wordt behouden dat toch betaalbaar blijft voor de werkgever. Maar dat nam niet weg dat er nog twee problemen niét werden opgelost.

Ten eerste is de intrestvoet tussen 2013 en 2017 sterk gedaald, terwijl de wettelijke intrestgarantie voor de werkgever tot vóór 2016 nog op 3,25% lag. Voor de stortingen uit die perioden schieten de huidige rendementen op tak 21 tekort ten opzichte van de wettelijke minimale intrestgarantie. Dit tekort dient aan het einde van de rit door de werkgever bijgepast te worden.

Een tweede probleem is dat het in een ‘aanhoudend lage rente’-scenario twijfelachtig is of de verzekeraar een rendement van 1,75% gaat halen. Dit kan er opnieuw toe leiden dat de werkgever een flink stuk moet bijstorten. Bovendien moeten we nog afwachten of de verzekeraars hun gegarandeerde intrestvoeten terug laten stijgen indien de langetermijnrente boven de 2% zou stijgen. Recent was er nog een opflakkering van de OLO 10 jaar, die steeg naar 1%.

Mogelijk alternatief: shift richting tak 23

Op een moment dat de werkgevers een reële kans hebben om een financiële bijpassing te moeten doen in een tak 21-verzekeringsproduct, is het te overwegen om ook eens een ander scenario te bekijken voor de pensioenopbouw. Een alternatief zou de tak 23-levensverzekering kunnen zijn. Hierbij wordt het gewaarborgd rendement omgeruild voor de vrijheid om in financieel interessante aandelen of obligaties te beleggen.

Deze keuze moet uiteraard zeer weloverwogen gebeuren, en twee belangrijke zaken worden best in acht genomen:

  1. Op korte termijn kan de rente binnen een tak 23-verzekering dalen, waardoor het rendement daalt en je als werkgever opnieuw dreigt te moeten bijpassen. Historisch gezien is het rendement op dit soort van verzekeringsproducten echter gemiddeld genomen hoger uitgevallen dan het rendement bij de intrestgaranties in tak 21.
  2. Via de nodige maatregelen kunnen de scherpe kanten aan een tak 23-levensverzekering afgeveild worden. Door voldoende financiële buffer in te bouwen ten opzichte van de wettelijke verplichting van 1,75%, door niet meteen alle financiële assets in tak 23 te stoppen, door het risicoprofiel van de beleggingsfondsen te laten afnemen naarmate de termijn tot uitbetaling kleiner wordt of door via een Cash Balance-oplossing ervoor te zorgen dat de mindere jaren gecompenseerd worden door de betere jaren, wordt het risico op korte termijn sterk verkleind.

Zullen aanvullende pensioenen via een tak 21-product leiden tot een financiële miljoenenstrop voor werkgevers? Zo’n vaart zal het wellicht niet lopen. Maar door vandaag alternatieven in tak 23-levensverzekeringen te bekijken, kunnen werkgevers zichzelf én hun werknemers een financiële duw in de rug geven.

Marc Van kerckhoven
Schrijf u in op onze nieuwsbrief.