België behoort tot de Europese koplopers op vlak van gelijk loon per gewerkt uur. In 2023 bedroeg de ongecorrigeerde loonkloof tussen vrouwen en mannen volgens Statbel 0,7% per uur. Bij pensionering blijken de verschillen weliswaar veel groter. Van de Belgen die in 2024 met pensioen gingen, ontvingen vrouwen een aanvullend pensioenkapitaal dat gemiddeld 53% lager lag dan dat van mannen. Op basis van de mediaan liep het verschil zelfs op tot 68%.
Franky Stevens: “Het verschil tussen gemiddelde en mediaan is belangrijk. Het gemiddelde wordt beïnvloed door hogere aanvullende pensioenkapitalen, terwijl de mediaan het bedrag weergeeft van de middelste gepensioneerde. Daardoor geeft die maatstaf vaak een representatiever beeld van de bedragen die bij pensionering worden uitgekeerd. Dat beide cijfers van PensionStat zo van elkaar verschillen, illustreert hoe uiteenlopend aanvullende pensioenen kunnen zijn.”
Volgens cijfers van de FSMA bouwden op 1 januari 2024 ongeveer 4,47 miljoen mensen in België aanvullende pensioenrechten op. Dat komt overeen met ongeveer 85% van de actieve bevolking. De totale verworven pensioenrechten bedroegen bijna € 109 miljard. Het precieze bedrag per individu, is niet vrijgegeven.
De kloof manifesteert zich op twee manieren:
- Toegangskloof: Van de mannen die in 2024 met pensioen gingen, ontving 69% een aanvullend pensioen. Bij vrouwen was dat slechts 51%. Bijna de helft van de vrouwen ging dus met pensioen zonder uitbetaling uit de tweede pijler.
- Bedragenkloof: Wanneer vrouwen wel een aanvullend pensioen ontvingen, lag hun gemiddelde kapitaal 53% lager en hun mediane kapitaal 68% lager dan dat van mannen.
De aanvullende pensioenkloof ontstaat niet op het einde van de loopbaan, maar bouwt zich jaar na jaar op. Vrouwen zijn sterker vertegenwoordigd in zorg, welzijn, onderwijs en persoonlijke dienstverlening, terwijl mannen vaker werken in industrie, bouw, energie, vervoer en technische activiteiten. Omdat aanvullende pensioenregelingen sterk uiteenlopen tussen sectoren en werkgevers, werkt deze arbeidsmarktrealiteit door in de opbouw van het aanvullend pensioen.
Franky Stevens: “De tweede pijler is bovendien een cumulatief systeem. Bijdragen worden meestal berekend als een percentage van het loon. Wie minder uren werkt, een lager loon ontvangt of zijn loopbaan tijdelijk onderbreekt, krijgt niet alleen minder bijdragen gestort. Er wordt nadien ook minder rendement opgebouwd op die bijdragen. Een jaarlijks verschil kan zich zo dertig of veertig jaar financieel uitvergroten. De loonkloof per gewerkt uur mag in België bijna gesloten zijn, de verschillen in arbeidsduur, loopbaan, sector en pensioenplan zijn dat niet.”
Hoe groot de impact kan zijn, blijkt uit onderstaande vergelijking: Twee werknemers starten op 22-jarige leeftijd met een maandloon van € 2.500. Hun loon stijgt jaarlijks met 2%. Toch kan hun aanvullend pensioenkapitaal sterk verschillen, afhankelijk van hun arbeidsregime en het pensioenplan van hun werkgever.
Een bredere toegang tot kwalitatieve en toereikende aanvullende pensioenplannen blijft een belangrijke opdracht voor alle sectoren, werkgevers en beleidsmakers. Om de genderkloof te dichten, heeft de overheid beslist dat de minimumbijdrage van de werkgever omhoog moet. Tegen 2035 moet de bijdrage 3% van het werkelijk verdiende loon bedragen over de sectorale pensioenstelsels heen. Begin 2024 was dit nog gemiddeld 1,54%. De ambitie voor een uniforme bijdrage vergt dus nog een aanzienlijke inhaalbeweging voor veel sectoren.
Franky Stevens: “Deze maatregel is zeker positief maar garandeert geen gelijkwaardige pensioenuitkomst. 3% op een deeltijds loon leidt nog steeds tot een lager bedrag dan 3% op een voltijds loon, terwijl ook historische verschillen in pensioenopbouw blijven doorwerken. Willen we de tweede pijler echt inclusiever maken, dan volstaat een minimumpercentage niet. Bijkomende acties zijn bijvoorbeeld een minimumbijdrage in euro (bovenop het %), de voortzetting van pensioenopbouw tijdens bepaalde zorgverloven of een systematische genderimpactanalyse van pensioenplannen.”